“Ik ben nog niet op de helft. Het kan nu toch nog niet voorbij zijn?” Zuchtend legde hij zijn grote handen in zijn schoot. Hij kon er maar niet in berusten.
Ik ben nog niet op de helft,
heb nog lang niet alles uitgewerkt.
Ik wil nog zoveel doen,
maar word steeds meer beperkt.
Ik ben nog niet op de helft,
maar ben ik nu toch versleten?
En als ik er dan niet meer ben,
zullen de mensen me dan vergeten?
Elke dag kreeg hij meer haast. Meer haast maar minder kracht om af te maken wat nog niet begonnen was. Waarom een leven versleten aan wat mensen verwachtten? Net nu zijn leven echt leek te beginnen, glipte het door zijn vingers.
Het was zo oneerlijk. Zwoegen tot je er bij neervalt. En dan toch nog alles kwijtraken. Op het laatst ook nog zijn gezondheid. Kennissen ver weg schudden meewarig hun hoofd. Soms uit oprecht medelijden. Vaker uit puur onvermogen om de reikwijdte en diepte van het lijden te kunnen overzien. Vrienden dichtbij verborgen hun gezicht, keerden zich af. Een vriendschap die meer kost dan oplevert ontaardt in een therapeutische relatie. Dus bleven er alleen therapeuten en wannabee’s over.
Je kunt een mens dus alles afnemen. Zijn huis, zijn werk, zijn partner, zijn kinderen, zijn intieme relaties. Steeds weer veert de mens op en zwoegt zich vooruit door de tijd heen. Maar wie mentaal of fysiek gekraakt wordt, is letterlijk stilgezet. En terwijl de wereld voortrazend alle plannen en dromen mee grist, blijf je alleen en berooid achter. Niet in staat om zelf nog iets van het leven te maken. Nog niet op de helft en dan al voorbij.
zondag 5 april 2009
maandag 30 maart 2009
Een disproportioneel insect
Als een disproportioneel insect harkte de jongen zich met zijn slungelige armen op zijn oversized fiets een slingerende weg over de smalle brug. Zijn te grote oren onder zijn kortgeknipte haar benadrukten slechts zijn te kleine hoofd met het minuscule brilletje. Schrikachtig schutterde hij zich met te ver uitstekende knieĆ«n gevaarlijk tussen gewone fietsers en auto’s door.
Sinds ze bij hem weg ging
Zorgvuldig schept de ietwat gekromde vijftiger de laatste restjes uit de aardappelpan. Hij gooit ze met een felle beweging in het gras bij de sloot voor zijn huis. De aanwezige eenden maken een hoop kabaal. Ik sla het vreemde tafereeltje verwonderd gade. In het voorjaar kunnen de eenden immers zelf wel genoeg te eten vinden? Ik ben op mijn hoede. Hopend dat de man geen onverwachte beweging maakt als ik achter hem voorbij fiets. Hij kijkt op. Even kruisen onze ogen elkaars wegen. Hij kijkt me aan alsof hij wil bewijzen dat het goed met hem gaat. Dat hij weet waar hij mee bezig is.
De baard op zijn kin verraadt op deze zondagmiddag dat het mes sinds vrijdagochtend niet meer gehanteerd is. Morgenochtend zal hij ongetwijfeld weer gladgeschoren en formeel gekleed op kantoor verschijnen. Een terugkerend ritme van vijf doelgerichte dagen gevolgd door twee dagen zinloosheid en leegte. Geen reden om er goed uit te zien. Sinds ze bij hem weg ging is alles anders geworden. Het meest nog mist hij zijn kinderen. En de kleinkinderen die hij nog nooit gezien heeft. Het opa zijn is hem ontstolen.
Het troosteloos verrommelde voortuintje lijkt een verdrietige afspiegeling van de leegheid in zijn leven. Soms is hij het zich even bewust. Dan welt er even een traan op in zijn oog.
De baard op zijn kin verraadt op deze zondagmiddag dat het mes sinds vrijdagochtend niet meer gehanteerd is. Morgenochtend zal hij ongetwijfeld weer gladgeschoren en formeel gekleed op kantoor verschijnen. Een terugkerend ritme van vijf doelgerichte dagen gevolgd door twee dagen zinloosheid en leegte. Geen reden om er goed uit te zien. Sinds ze bij hem weg ging is alles anders geworden. Het meest nog mist hij zijn kinderen. En de kleinkinderen die hij nog nooit gezien heeft. Het opa zijn is hem ontstolen.
Het troosteloos verrommelde voortuintje lijkt een verdrietige afspiegeling van de leegheid in zijn leven. Soms is hij het zich even bewust. Dan welt er even een traan op in zijn oog.
maandag 23 maart 2009
Er stond een man voor het raam
Hij schonk iets in. Het duurde heel lang. Ik zag hem toen ik voorbij liep. Maar hij stond heel stil.
Gisteren stond er een man voor het raam. Hij goot wasmiddel in een bolletje. Langzaam, heel langzaam. Ik zag een sliertje tussen de flacon en het wasbolletje. Maar hij bewoog niet.
Vandaag staat er een man voor het raam. Een flacon, een wasbolletje, een laatste sliertje wasmiddel. Versteend, verstild, doodstil. Ik kijk bevreemd naar binnen. Want hij beweegt niet. De eeuwigheid is begonnen.
Gisteren stond er een man voor het raam. Hij goot wasmiddel in een bolletje. Langzaam, heel langzaam. Ik zag een sliertje tussen de flacon en het wasbolletje. Maar hij bewoog niet.
Vandaag staat er een man voor het raam. Een flacon, een wasbolletje, een laatste sliertje wasmiddel. Versteend, verstild, doodstil. Ik kijk bevreemd naar binnen. Want hij beweegt niet. De eeuwigheid is begonnen.
Abonneren op:
Posts (Atom)
