maandag 30 maart 2009

Een disproportioneel insect

Als een disproportioneel insect harkte de jongen zich met zijn slungelige armen op zijn oversized fiets een slingerende weg over de smalle brug. Zijn te grote oren onder zijn kortgeknipte haar benadrukten slechts zijn te kleine hoofd met het minuscule brilletje. Schrikachtig schutterde hij zich met te ver uitstekende knieĆ«n gevaarlijk tussen gewone fietsers en auto’s door.

Sinds ze bij hem weg ging

Zorgvuldig schept de ietwat gekromde vijftiger de laatste restjes uit de aardappelpan. Hij gooit ze met een felle beweging in het gras bij de sloot voor zijn huis. De aanwezige eenden maken een hoop kabaal. Ik sla het vreemde tafereeltje verwonderd gade. In het voorjaar kunnen de eenden immers zelf wel genoeg te eten vinden? Ik ben op mijn hoede. Hopend dat de man geen onverwachte beweging maakt als ik achter hem voorbij fiets. Hij kijkt op. Even kruisen onze ogen elkaars wegen. Hij kijkt me aan alsof hij wil bewijzen dat het goed met hem gaat. Dat hij weet waar hij mee bezig is.

De baard op zijn kin verraadt op deze zondagmiddag dat het mes sinds vrijdagochtend niet meer gehanteerd is. Morgenochtend zal hij ongetwijfeld weer gladgeschoren en formeel gekleed op kantoor verschijnen. Een terugkerend ritme van vijf doelgerichte dagen gevolgd door twee dagen zinloosheid en leegte. Geen reden om er goed uit te zien. Sinds ze bij hem weg ging is alles anders geworden. Het meest nog mist hij zijn kinderen. En de kleinkinderen die hij nog nooit gezien heeft. Het opa zijn is hem ontstolen.

Het troosteloos verrommelde voortuintje lijkt een verdrietige afspiegeling van de leegheid in zijn leven. Soms is hij het zich even bewust. Dan welt er even een traan op in zijn oog.

maandag 23 maart 2009

Er stond een man voor het raam

Hij schonk iets in. Het duurde heel lang. Ik zag hem toen ik voorbij liep. Maar hij stond heel stil.

Gisteren stond er een man voor het raam. Hij goot wasmiddel in een bolletje. Langzaam, heel langzaam. Ik zag een sliertje tussen de flacon en het wasbolletje. Maar hij bewoog niet.

Vandaag staat er een man voor het raam. Een flacon, een wasbolletje, een laatste sliertje wasmiddel. Versteend, verstild, doodstil. Ik kijk bevreemd naar binnen. Want hij beweegt niet. De eeuwigheid is begonnen.